Gaan we woningen verwarmen met waterstof?

Henri Bontenbal 21-02-2020

In 1974 schreef het Ministerie van Economische Zaken een nota over kernenergie. De verwachtingen waren hoog. Het ministerie verwachtte dat in het jaar 2000 in Nederland een opgesteld vermogen van 35 GW aan kerncentrales zou staan. We moesten snel ons aardgas opmaken en verkopen, want dat aardgas zou aan het einde van de eeuw niet zoveel waard meer zijn vanwege goedkope kernenergie. Het liep allemaal anders: in Nederland staat er op dit moment één kerncentrale met een vermogen van zo’n 0,5 GW. De nota Kernenergie uit 1974 zat er dus met een factor 70 naast.

Nog een voorbeeld. Het IEA kwam in haar gezaghebbende World Energy Outlook van 2006 in het meest positieve scenario tot een totaal mondiaal opgesteld vermogen aan zonne-energie van 145 GW in 2030. Eind 2018 was dat al meer dan 505 GW. En dan hebben we nog meer dan 10 jaar te gaan. Met welke factor zit het IEA ernaast in 2030, denkt u? Factor 15? Factor 30?

‘Voorspellen is moeilijk, vooral als het om de toekomst gaat’, zei de natuurkundige Niels Bohr eens. Dat blijkt wel uit de voorbeelden waarmee ik deze blog begonnen ben. Als we nadenken over de rol van waterstof in de gebouwde omgeving, moeten we dezelfde slag om de arm houden. Want hoe groot de rol van waterstof in de energievoorziening van de toekomst wordt, hangt van een groot aantal factoren en drivers af. 

We moeten eerlijk zijn: we kunnen maar beperkt vooruitkijken. Het energiesysteem, binnen de context van mondiale samenlevingen, is een complex systeem, waarin alles met alles samenhangt. Geopolitiek, nieuwe technologieën, kostprijsontwikkelingen, veranderend consumentengedrag, klimaatpolitiek, de vondst van nieuwe energiebronnen, natuurrampen: al deze factoren beïnvloeden in meer of mindere mate hoe onze energievoorziening er in 2030 en 2050 uitziet. In de context van deze onzekerheden moeten we wendbaar energiebeleid maken.

Samen met collega’s van de strategieafdeling van Stedin heb ik een working paper geschreven over waterstof in de gebouwde omgeving. We hebben een groot aantal rapporten gelezen en experts (binnen en buiten) gesproken. De inzichten die we hebben opgedaan, hebben we opgeschreven in onze paper. Kort gezegd komt het hier op neer. De komende tien jaar zal waterstof in de gebouwde omgeving nog geen significante rol spelen. De waterstof die beschikbaar zal zijn, wordt allereerst in andere sectoren (zoals de industrie) gebruikt. Hoe groot de rol is die waterstof in de periode 2030-2050 in de gebouwde omgeving zal gaan spelen, is nog onduidelijk. Gaan we dus de komende jaren grootschalig woningen met waterstof verwarmen? Wij denken van niet.

Moeten we dan nu gaan stilzitten? Nee. Want ook al zou waterstof in de gebouwde omgeving géén grote rol spelen, dan nog vraagt een beperkte rol om nieuwe kennis, technologie, processen en wet- en regelgeving. Niet alle woningen zullen in de toekomst geschikt zijn of gebruik kunnen maken van een warmtenet of warmtepomp of groen gas. Waterstof kan dan een oplossing zijn om toch aardgasvrij te worden. 
Daarnaast is de toekomst van waterstof niet iets dat ons alleen maar overkomt: we geven die toekomst ook zelf vorm. Door te experimenteren. Door te laten zien wat er kan en hoe het kan. Dat inspireert anderen weer om ook te innoveren. We creëren dus ook met elkaar de toekomst.

We hebben ons verhaal bewust een working paper genoemd. Want we willen niet claimen de waarheid in pacht te hebben. We nodigen u dus uit te reageren op ons verhaal. Zijn er zaken die we over het hoofd zien?